Ode aan alle homo’s

“Doe normaal man, homo!!”

 

Het moet gezegd: hij had gelijk. Het was een domme overtreding. Zo eentje die onze back eigenlijk altijd maakte. Voor ons was het geen uitzondering, maar misschien omdat het slachtoffer niet zeker wist of onze back dit zelf wel doorhad, liet hij dat subtiel weten door als een schreeuwende stervende zwaan naar de grond te gaan, door te rollen, soepel op te springen en hard tegen de borst van mijn teamgenoot te beuken. Met deze zin er dus erachteraan. Een klassieker. De scheids floot en wees naar de stip.

 

Kort reageerde ik. Ik kon ’t niet laten, net zoals hij ’t niet kon laten. Ik zei dat –ie een beetje normaal moest proberen doen. Dat -ie z’n pingel al binnen had. Iets in die trant. Ik had waarschijnlijk hetzelfde gezegd als hij ‘hond’, ‘penis’, ‘clown’ of ‘baklap’ had gezegd.   

 

“Flikker op man, kutkeepertje. Ben je ook homo dan?”

 

Hij liet ‘t klinken alsof ’t een serieuze vraag was. Of ik ook homo was. Pas toen drong het woord tot me door. Alsof dat iets uitmaakte. Dat hij, wanneer ik homo zou zijn, ineens zou zeggen: “Sorry dan, man.” Het woord ‘homo’ was dus gewoon ’t eerste wat in ‘m opkwam. Het zat er bij ‘m ingebakken als ‘tering’, ‘tyfus’, ‘poepchinees’ en ‘domme Belg’. ‘Homo’ was een van die scheldwoorden geworden die zó vaak worden gebruikt dat de betekenis inmiddels geen lading meer heeft. Niet voor hém in ieder geval.

 

Ik wilde z’n vraag beantwoorden, maar ik als ik ‘nee’ zou zeggen, zou ’t gesprek meteen beëindigd zijn. Wat moest ik dán zeggen? ‘Ja’? Maar ik ben geen homo. Nooit geweest. Geen bi. Geen pedo of travo. Geen necro of trans. Geen masochist. Geen sadist en geen exhibitionist. Oké, dat laatste misschien een beetje; ik vind ’t soms prima om dronken op een kantinebar te staan met m’n shirt uit, of over een tafel met bier te glijden in m’n onderbroek. Voor de rest val ik op vrouwen en ben ik zo Hollands als het slootje achter me. Zo nuchter als een botte boerenverdediger. Maar ik wilde zo graag eens ‘Ja’ zeggen en zien wat dit zou doen.

 

Ik stond tegenover ‘m. Dansend en wachtend op m’n lijn. De keeper te zijn die zijn bal maar al te graag wilde stoppen, maar nog líever wilde reageren op dat ene woord. Maar dan een keer écht goed, zodat ’t écht iets bij ‘m zou doen. Hij na de pot van ’t veld zou lopen met de gedachte dat dit woord nergens meer op sloeg in deze tijd.  

 

Deze pingel was hét moment. Om effe flink verbaal stennis schoppen tijdens een wedstrijd over wat er zojuist gebeurde, en wat zo vaak nog gebeurt. Ik kon nu de aandacht trekken met een pleidooi dat dit echt niet meer kon. Maar de gedachte bleef overheersen dat ik zijn opmerking vooral met een korreltje zout moest nemen. Dat ik niet moest overdrijven. Dat het hem en alle andere Kelderklassers – een grotere cultclub van buitenbeentjes bestaat er niet – vast geen ene reet kon schelen of een teamgenoot op mannen, vrouwen, kippen of konijnen valt. Of dat -ie iedere week op een skippybal naar de voetbal komt of gebracht wordt door z’n moeder.

 

Ik twijfelde of ik iets moest zeggen, maar ook of ik dit wel op moest schrijven. Of ik er wel goed aan deed en ’t dan perse nodig was een ode te brengen aan al die voetballers die ooit besloten zichzelf te zijn op het voetbalveld en daarbuiten. Aan al die liefhebbers die zich geen zak aantrekken van al dat negativisme rondom hun seksuele geaardheid. En aan al die amateurvoetballers die dit nog niet hebben aangedurfd. Ik twijfelde of ik iets moest schrijven over mijn hoop dat ze gewoon komen ballen en bier komen drinken in onze teams vol buitenbeentjes. In teams gevuld met motorisch gestoorde backs zonder richtingsgevoel, kleine kale spitsen met een bal onder hun shirt en keepers met paardenstaarten en korte lontjes. Zodat ze zouden begrijpen dat iederéén hier anders is.

 

Ik twijfelde of het wel nodig was om me te excuseren voor al die botte en lompe Kelderklassers die soms zó ongenuanceerd zijn dat ze thuis voor straf zonder eten naar bed zouden moeten als ze zo’n muil zouden opentrekken tegen de Baas. Ik twijfelde of ik het goed moest praten. Omdat je er maar tegen moet kunnen dat je hier effe in de zeik wordt genomen in de kleedkamer, zoals elke Kelderiaan ooit al heeft ondervonden. Dat het erbij hoort, omdat we hier op de voetbal net iets over dat randje gaan en zeggen wat we willen zeggen. Omdat we hier, op de mooiste plek op aarde, veilig zijn. Ik twijfelde of ik mijn hoop moest uitspreken. Die hoop dat ze ooit gewoon snoeihard mee zullen lachen. Omdat Ronald een moedervlek op z’n penis heeft, Stefan een berg haar op z’n rug en Sanne zes tenen.

 

Alleen maar omdat ik zo graag zou willen dat ze begrijpen dat ’t oké is om te zijn wie ze zijn. Al wist ik ook wel dat ’t helemaal niet altijd oké was. Dat er nog steeds jongens als deze pingelnemer bestonden die niet nadachten. Het is aan de liefhebber om tussen deze onwetende en kortzichtige randdebielen van de bovenste plank die romantiek, liefde, nostalgie en humor te blijven zien die het amateurvoetbal is.

 

Ik deed het niet. Ik zei niks. Ik bleef op mijn lijn, dook de verkeerde kant op en pakte de bal uit het doel zodat ik zijn kop niet zou zien. Ik liet ’t voor wat ’t was en schreef het op. Uit liefde en respect. Met als titel: ‘Ode aan alle homo’s’. Met daarbij een dikke middelvinger naar de Kelderklasser die meteen na ’t lezen van deze titel een vriend tagt met: “Hier, een ode aan jou”, zonder dit stukkie tot het einde te lezen.

 

Vergeef ze.  En geef ze tijd; ooit zullen zij beseffen dat de wereld groter dan hun dorpsclub. Ooit zullen zij dit stuk ook uitlezen. Maar hé, wat verwacht je dan? Dit is de Kelderklasse. Hier gaat ’t allemaal wat trager. Laat ze daarom nu maar effe makkelijk scoren, al staan ze hiermee al jaren meters buitenspel. 

 

Ooit.

Ooit zal ons voetbal zijn zonder homohaters en ondraaglijke derdehelftkaters.

Vrijheid in de kleedkamer

4 mei, 2017. Mijn buurman bleek weer te snel te hebben gegeten. Zoals wel vaker dwarrelden de scheten uit zijn boxershort. Het bleek Mexicaans te zijn. Zelf analyseerde hij z’n scheet als een scheet in de categorie: met een vingerhoedje vocht. Geen succes voor een losse boxershort, zo deelde hij mede. Onze rechtsback vertelde vervolgens over z’n zaterdagavond met twee vrouwen in bed. Hij had niks gedaan. “Het was gewoon gezellig.”

 

Het was donderdagavond om twee voor 8 en het was gezellig in de kleedkamer. Een goedgevulde kleedkamer heeft geen tv, Playstation of muziek nodig om gezellig te zijn. Een goedgevulde kleedkamer is als dat bruincafé waar gelul muziek overstemt. We spraken over afgelopen zaterdag. Over bier en borsten. Over onze moeders en over naakt douchen. We lachten en schreeuwden. We kreunden en grinnikten van de stank.

 

Tot aan de trompet. Die vrijheidstrompet. Die trompet met dat stuk dat je maar één keer per jaar hoort. Onze spits had zijn telefoon op de massagetafel in het midden van de kleedkamer gelegd. NOS was live. Op het schermpje zag ik een volle Dam. Terwijl de trompet zijn Taptoe-signaal liet klinken, grinnikte een enkeling nog na. Logisch: de omschakeling was groot. Eigenlijk te groot. Meestal gaan we op de grond zitten als er een trompet klinkt, om vervolgens op het juiste moment van de muziek op te springen en bier over elkaar te gooien. Normaliter staat een trompet in de kleedkamer garant voor plezier. Nu niet, nu zwegen we. De laatste keer dat we zo lang stil waren geweest was afgelopen zaterdag, toen de trainer zijn donderspeech hield na de 1-5 en vervolgens het woord aan ons gaf. Het woord dat niet kwam. Nu hadden we niet verloren, eerder gewonnen. We deden twee minuten lang zwijgend ons best om na te denken over de betekenis en de luxe van onze vrijheid.

 

Ik vond die vrijheid. Daar, in de kleedkamer, in die twee minuten. Ik vond de vrijheid in de scheten van mijn buurman. In de twijfelaar van onze back, gevuld met twee vrouwen en hem. In het naakt douchen met m’n vrienden. In onze halve verhalen en het hele biertje na de training. Die twee minuten waren de moeite om me weer te herinneren wat vrijheid ook alweer betekent. Het had niet langer moeten duren. De enige trompet die deze avond nog klonk, was die van m’n buurman. Met een vingerhoedje vocht.

 

Ode aan voetballeed

Dat was het dan: dit seizoen voetballen we niet meer. Oké, misschien nog een paar keer met een lekke bal tegen een garage omdat we het thuis effe niet meer trekken, of met FIFA, omdat we daar wél goed zijn, maar voetballen met onze maten op een matig veld tegen een matige tegenstander? Nee. Het seizoen is ten einde. FC Corona heeft ons volledig van de mat getikt en wij kunnen enkel machteloos achter de ruiten toezien hoe zij feestvirussend op een platte kar door onze straten trekt.

 

We hielden vol. Streden voor iedere meter als er weer een pessimist riep dat het amateurvoetbal er toch wel uit zou worden gegooid. Tegen beter weten in. Want wij wisten ook wel dat we dit voetbalseizoen geen kleedkamer meer van binnen zouden zien. Het was slechts een sprankje hoop dat ons deed leven. De hoop op misschien nog een enkel competitiepotje met de kop in de zon. Maar die is nu vervlogen.

 

Tijd om stil te staan. Eens een keer niet bij die talloze redenen waarom die mooiste bijzaak van het leven het bloed door onze dichtslibbende aderen sneller laat stromen, maar bij de dingen die ons voetbal ellendig kunnen maken. Irritant. Naar. Onaangenaam. Matig. Gewoon– excusez le mot maar het bekt zo lekker weg op een voetbalveld - kut. Geheel in de trant van deze tijd.

 

Denk aan de vergeten handdoek. En dat je dan een afgekloven door de bilnaad gehaalde onder de graspollen zittende natte handdoek moet lenen. Denk aan voetbalschoenen die aanvoelen als te hard gebakken broodjes als je ze aan probeert te trekken, omdat je ze drie weken in je tas had laten zitten, maar nu plots moet voetballen met -3. Aan vergeten intrapballen. Vergeten shirtjes. Vergeten spelers. Vergeten bidons. 1 vergeten scheenbeschermer. Spelers die zich verslapen. Een smerige natte kleedkamervloer als je jezelf nog moet omkleden. Voetballen met een kater. Voetballen tegen de nummer 1. Een dubbelgeklapte enkel door een slecht veld of mislukte volley. Een zaagaanslag op kniehoogte. Een voorhoofd tegen je achterhoofd. Een ijsbeentje. Een tientonner die met z’n schroefnoppen op jouw tenen staat. Een bal in je zak. Op je borsten. Op je oogkas. Op de paal en dan op je oogkas. Een schaafwond door kunstgras. Kunstgras. Onduidelijke zijlijnen. Onduidelijke scheidsrechters. Partijdige grensrechters. Heetgebakerde aanvoerders. Stuurloze rechtsbacks. Blunderende doelmannen. Te krappe voetbalschoenen. Te korte voetbalkousen. Afzakkende voetbalkousen. Tape verwijderen. Harde ballen. Een gat in het net. Een doel zonder netten. Prikkelbosjes. Hagel. Koude douches. Douches met een pisstraal. Jezelf afdrogen in een kleedkamer met de temperatuur van een Turks stoombad. Een kantine zonder muziek. Een lege kantines. Een verbrand gehemelte na een hap van een bitterbal. Verliezen.

 

Het werkt niet; hoe meer ik zoek naar de onvolkomendheden van het voetbal in de hoop dat dit het gemis kleiner maakt, hoe groter het gemis van het kleine leed dat júist die verhalen maakt. Er blijkt geen groter voetballeed dan het gemis ervan. Ik verlang weer naar een veld, een waardige tegenstander (thuis kan ik het niet winnen) en een kantine. Ik snak naar lucht. Ik heb de afgelopen weken al 5 keer op de gang moeten staan, vier keer de afwas moeten doen en moest 6 keer voor straf vroeg naar bed. Omdat ik mijn frustratie uitte. Frustratie die ik niet had gehad als er gewoon voetbal was.

 

Asjeblieft, KNVB, geef ons Kelderklassers weer snel ons voetbal terug. We beloven dat we geen duel aan zullen gaan. Daar zijn we heel erg goed in.

 

Tot volgend seizoen. We zullen fitter zijn dan ooit. Ongeveer 16 kilo.

Ode aan de eerste coronaloze voetbaldag

Bizar. Historisch. Eng.

 

Het zijn woorden die we normaliter in 't weekend enkel horen als er weer eens een teamgenoot uitgebreid een NTR-cursus letterpoepen heeft zitten volgen op het kleedkamertoilet, waar -ie expres zijn letter Q in de pot heeft laten liggen met de deur open. Maar de woorden komen niet uit de kleedkamer. Kleedkamerhumor zit namelijk al 2 weken opgesloten. De kleedkamerdeur is dicht. De kantinedeur is vergrendeld. Het sportpark is gesloten. Slecht corona kan passeren, op zoek naar z'n zoveelste slachtoffer.

 

Het is deze boosdoener die ons de woorden bijna dagelijks doet uitspreken. Die ons momenteel in de houdgreep houdt als een dikke verdediger die nu sneller blijkt dan we allemaal dachten toen we hem 5 minuten voor de wedstrijd ‘t veld op zagen sjokken. Corona blijkt ons te snel af. Legt ons lam. Houdt ons stil. Corona houdt ons op de wisselbank en zorgt ondertussen voor lege voetbalvelden.

 

Ik mis ze nu al. Niet alleen de velden, maar al die momenten, geluiden en dingen. De dingen van ons amateurvoetbal. Kleine dingen die ons lelijke voetbal iedere week weer kleur geven en groots maken. Ik kijk daarom nu al uit naar de eerste coronaloze voetbaldag. Het moment dat we weer mogen. Dat we ons weer gezamenlijk zonder angst voor andermans kwijl, rochels en scheten mogen omkleden in een te kleine kleedkamer, tegen elkaar aangeplakt op een houten bankje. De dag dat we weer op onze hard geworden voetbalschoenen naar buiten mogen stormen als wilde koeien op de eerste lentedag. Onze voetbalvelden tegemoet.

 

Ik kijk uit naar hoe fit we zullen zijn als we weer mogen. Hoe soepel onze enkels zullen voelen. Onze knieën. Onze liezen. Hoe gemakkelijk we onze gewrichten weer zullen kunnen bewegen. Gewrichten waar we al seizoenen last van hadden, maar die nu eindelijk eens de tijd kregen om te herstellen. Al is het maar voor even; die zakken quarantainechips zullen er geheid voor zorgen dat we weer snel terug zijn op ons oude niveau.

 

Ik kijk uit naar onze velden. Oh die velden. Grasmatten die net als onze gewrichten de tijd kregen om te herstellen in het zachte lenteweer. Door de materiaalman verzorgde en versgeschoren, natte grasvelden die straks in volle glorie zullen schitteren als gelkoppen in de ochtendzon, wachtend om weer aangeraakt te worden. Laat die zaag maar komen; ik zal met alle liefde neergaan als een stervende zwaan in gras dat zal aanvoelen als dons. 

 

Het meest verlang ik naar competitievoetbal in die zon. Naar lelijk voetbal tussen mooiweervoetballers in zweterige temperaturen. Want als onze KNVB het toelaat, mogen we straks eindelijk eens doorvoetballen in mei en juni. In maanden waarin ons gras vaak dor en uitgeput is, maar nu zal smachten naar onze noppen. Ik verlang naar het gefluit van vogels en de scheids. Naar rode verbrande koppen na een 5-0 verlies. Naar aangeschoten, ongedouchte smoelen, liggend op het veld na een pot in de avondzon. De schaafwonden die plakken aan mijn korte spijkerbroek zal ik voor lief nemen. 

 

En terwijl m'n gedachten waarschijnlijk soms zullen afdwalen naar al die supporters, vrijwilligers en andere clubiconen die  hun leven lang alles deden om hun amateurclub in leven te houden, maar zelf ten onder gingen aan corona, zal ik genieten.

We zullen moeten doorbijten. Maar straks, alles over is en we meer mogen, zullen we genieten. Van een prachtige coronacompetitie.

Ode aan de Broabantse Thuiswerker

Daar zit je dan. Thuis. Achter je laptop. In een tijd waarin je net was hersteld van vijf dagen carnaval, zit je nu je best te doen om thuis te werken omdat dit zo nodig moest van het RIVM, dus ook van jouw baas. Inmiddels heb je de woorden ‘corona’, ‘Noord-Italië’ en ‘RIVM’ zo vaak gehoord dat je ervan moet hoesten, heb je een volgenieste elleboog die inmiddels behoorlijk zeer doet, omdat je iets te vaak die Rutte-boks hebt moeten uitvoeren met collega’s die dat grappig vonden en móet je thuis werken van de baas. Ik snap dat dit voelt als een straf. Maar het tegendeel is waar.

 

Accepteer allereerst dat je jouw collega’s voorlopig effe niet gaat zien. Jouw baas evenmin. Corona is de baas en die beveelt jou thuis te blijven. Dat betekent dus ook dat je die degelijke kantoorkleding uit mag trekken. Doe normaal joh, alsof je naar je werk gaat. Nee, vanaf vandaag werk je enkel in een boxer of een string. Voor mijn part in een onesie, een Cavello-trainingspak of je ongewassen clownspak dat al 3 weken in een hoek staat te wachten op volgend jaar. Maar doe dan wel gewoon open als de pakketbezorger aanbelt. Mét geschminkt gezicht. Hij heeft al de dag van zijn leven omdat jij eindelijk eens een keer thuis bent om het pakketje aan te nemen, maar dit zal zijn dag echt maken.  

 

Kijk nu eens rond. Wat je hier allemaal hebt. Hier, in jouw huis, heb je de beschikking over een toilet waar je je gewoon mag uitleven, zonder dat je je eigen shirt of jurk uit moet trekken om die stank weg te wapperen. Hier mag je jouw remspoor gewoon laten zitten en de toiletdeur open laten staan. Sta je na een uur met de laptop op schoot op, en zie je dat je jouw creatie toevallig in de vorm van een hartje in de pot hebt gelegd? Laat ‘m liggen, kijk ernaar en loop weg. Dit is jouw tijd. Jouw toilet. Jouw werk.

 

En dan de koffie. Jóuw koffie! Geen koffie uit een ranzige bedrijvenautomaat, maar uit jouw geliefde Italiaans designapparaat. Drink jouw koffie langzaam. Neem de tijd. Slurp en proef. Zet je mok neer, pak ‘m nog een keer op en neem weer een slok. Koffie smaakt nergens beter dan thuis.

 

Wil je wat eten? Hier in jouw speelpaleis heb je alles te vreten wat je wil. Heb jij ineens de neiging om 6 worstenbroodjes achter elkaar naar binnen schuiven of een Bossche Bol te verorberen zonder bestek? Lekker doen. Jij hoeft je niet aan een lunchpauze te houden of aan een collega die elke 10 minuten weer het woord ‘koffie!’ of ‘Pauze!’ roept. Jij mag dat zelf bepalen. Vreet tot je niet meer op kunt staan. Maar onthoud: je toetsenbord is geen bord. Toetsen kunnen plakken.

 

Weer een uur verstreken. Loop nu eens een rondje. Of twee. Als je nog ergens een hond hebt liggen die je 2 jaar geleden geleden hebt gekocht maar helemaal was vergeten vanwege de drukte op je werk, kun je die meenemen. Vind –ie vast leuk. Probeer vervolgens eens zo’n alom geprezen powernap. Doe eens een onderzoek naar de productiviteit ervan, zodat je dit kunt terugkoppelen aan je team op de eerstvolgende vergadering. Dat zal je baas leuk vinden.

 

Zo. Weer drie uur verder. Man, wat is dit lekker. Een eigen toilet, eigen koffie, eigen lunchpauzes en geen uit hun mond dampende en zeikende collega’s die het talent hebben om in een betoog van een half uur, zittend op de hoek van jouw bureau, hun issues met hun vrouw, man, baas of moeder te delen. Je zou bijna willen dat het leven zo kon blijven doorgaan.

 

Vergeet deze dagen niet om niet op te ruimen. Peuter in je neus. Laat scheten en boeren, en dans om het half uur even op ondansbare muziek. Hier, in jouw bunker, is niemand die het ziet. Niemand die het hoort. Want dit is jouw haven. Hier leg jij aan. Hier schreeuw je gewoon keihard dat je geen hol snapt van die cryptische kloteteksten van Bløf. Hier, in jouw domein, is alles toegestaan. Zolang je maar een bietje werkt.

 

Ben je samen met je paartner thuis aan het werk? Gin paniek; over 9 maanden kijken jullie met een lach terug op die dag dat jullie samen in quarantaine zaten, maar papa per ongeluk zijn kwakkie vergat te deponeren in z'n eigen elleboog.

 

Dit is een ode aan alle Broabantse Thuiswerkers. In onze provincie laten we ons nie gek make. Wij zijn wa gewend. Na carnaval, is het nu gewoon effe Caronaval. Da kan onze weerstand vast ook wel hebbe. Heb ginne angst: ge bent nie alleen; da witte gij ook.

 

Brabant, ge kunt ‘t!

Ode aan de voetbalvrouw

Ik zou soms zo graag een sportende vrouw willen zijn. Geen naar oud zweet stinkende hockeyvrouw of een korfbalvrouw die haar sport alleen maar beoefent, omdat de mannen dán tenminste wél om haar heen staan. Of een vrouw die iedere dag na haar parttimebaan van een dag het heupvet over haar veel te strakke legging hangt, een kleurrijke zweetband om haar hoofd doet, de wenkbrauwen opkrult en al append met haar buurvrouw haar boodschappen bedenkt tijdens ‘t hardlopen op ‘t tempo van een kinderfiets waarna ze heel de week loopt te klagen tegen haar man omdat ’t zo zwaar was om zich met d’r dikke reet tien minuten vooruit te worstelen. Nee. Niet zo’n vrouw.

Ik zou graag eens een voetbalvrouw willen zijn. Een échte voetbalvrouw. Een vrouw die voetbalt. Een voetbalster. En ik zou dan zo graag eens m’n tas willen inpakken. Met m’n borstel, m’n sport-bh, m’n veel te hippe voetbalschoenen maatje 38. M’n shampoo, douchegel, conditioner, drie outfits, en een sexy stringetje om die dikke verdediger van het 6e weer eens gek te maken tijdens de derde helft.

 

Dan zou ik zo graag eens grove slidings willen maken. Die slet op links neer willen halen. M’n nepnagels langs haar gezicht willen halen. Gewoon, omdat ze zo naar me keek. Ik zou een bal op m’n borsten dood willen leggen en weg willen draaien als Martens. Ik zou met een schelle stem willen schreeuwen als een viswijf en schelden naar de scheids, omdat –ie een te strak broekje aanheeft en verliefd naar ‘m willen knipogen om een kaart te voorkomen. Ik zou juichen en rennen naar de cornervlag na een lelijk doelpunt en daar dan de salsa dansen. De salsa dansen als een soepele voetbalvrouw met ritme. Ik zou de wereld willen tonen wat voetbalvrouwen kunnen.     

 

En in de kleedkamer zou ik willen doen wat Kelderklassters doen. Ik zou naakt willen douchen met de meiden en samen vals willen zingen op Frans Duits. Willen meppen op elkaars konten. Willen lachen om elkaars borsten. Willen roddelen over exen, willen praten over kids. Ik zou willen janken van het lachen, willen gillen van het janken en bier willen zuipen. Als een voetbalvrouw.

 

Ik zou m’n kamer behangen met posters van idolen. Van Hope Solo, Carli Lloyd, Lieke Martens. En ik zou, al was ik nog zo slecht, dromen. Iedere dag. Dromen over profvoetbal. Over leven als een profvoetbalster. Gewoon, omdat het eindelijk kan. Want de voetbalvrouw van nu is er eentje van Europese kampioenen en Barcelona-speelsters. Van Eredivisiekoninginnen en Kelderklassedraken.

 

De voetbalvrouw van nu is sterk en staat steviger dan ooit. Jarenlang was ze – ook op het hoogste niveau - als die vijfde reserve, starend naar het veld. Als die lekke bal, drijvend in de sloot achter veld 6, als Dr. Pepper, verstoft in een oude kantinekoelkast. Jarenlang keken we niet haar naar om. We riepen haar na. We schreeuwden over haar. We maakten grappen over haar. Maar de voetbalvrouw bleef zitten. Ze bleef drijven. Ze bleef koel. Het deed haar niks. Het doet haar niks. Ze voetbalde door. In koude ochtenden. Op slechte velden. In wind. In regen. Zonder te janken.  

 

Daarom een buiging voor de voetbalvrouw. Ga asjeblieft door. Leer, schop, struikel, val, juich, huil, schreeuw, glijd en scoor, net zo hard als de mannen. Want voetbal houdt van jullie. Ook in de Kelderklasse.  

 

Ode aan de Strateeg

Vraag jij je nooit eens af wat voor voetballer je eigenlijk had wíllen zijn? Nee? Ook niet als je weer zo’n lelijke zaag op kniehoogte hebt ingezet, achterin het zoveelste kopduel aangaat en een achterhoofd wegkopt in plaats van de bal, of als je weer eens een houdbaar schot door je handen laat glippen? Denk jij dan ook niet: was ik maar een ander soort voetballer? Kon ik maar iets meer? Ik wel. Want man, was ik maar een tacticus. Een veldheer. Een kapitein. Oh, was ik maar een Strateeg.

 

Het zal nooit gebeuren, al zou ik ’t willen. De Strateeg wórd je niet; de Strateeg bén je. Trek handschoenen aan en je bent de keeper. Zaag iemand doormidden of maai over de bal en je bent de ouderwetse back. Schiet naast of over en je bent de Kelderiaanse spits. Maar als Strateeg word je geboren. Vanaf de eerste minuut weet een Stateeg de positie van de melk. De luiers. De wieg. Hij overziet alles en dán, als hij voor het eerst op het veld staat en die bal krijgt, voelt hij alles aan. Hij heeft dat overzicht, die rust en een fluwelen baltechniek. Alles dus, wat ik niet heb.

 

Altijd als ik de Strateeg zie – wat maar zelden gebeurt gezien het geringe talent en het gebrek aan inzicht op onze velden – ben ik jaloers. Op zijn positie, daar, in die cirkel waar hij de baas is, ook zonder bal. Ik ben jaloers op zijn vermogen om niet te lopen. Waar ik als een kip zonder kop zou dolen op op het middenveld, lijkt hij geen meter vooruit te komen maar tóch het spel snel te kunnen verplaatsen. De Strateeg denkt vooruit tijdens een wedstrijd die zo traag gaat dat -ie bijna in z’n achteruit lijkt te gaan. Om ondertussen nog een telefoongesprek met zijn moeder te voeren, omdat hij vijf minuten geleden al heeft gezien wat hij met die bal gaat doen als -ie 'm krijgt.

 

Als bij een schaakpartij denkt hij na over iedere stap. Hij wijst, coacht en zet neer, meer dan hij lijkt te voetballen. Om plots, wanneer niemand het doorheeft, een briljante zet te doen: een kapje. Een hakje. Een steekpass. Als een stofwolk op een verdord doelgebied in de zomer die ons zand in de ogen strooit van verwondering. Een zet die niemand zag aankomen. Want tja: de Kelderklasse. Maar hij doet het, de Strateeg. Hij voert het uit, die dans om zijn as, die hak door zijn benen, die splijtende pass door het midden, ons achterlatend vol verwondering en ondertussen nog steeds bellend met zijn moeder.

 

De strateeg is zoveel, maar ook zoveel niet. Hij is geen loper. Geen voetballer die een solo inzet om niet te weten waar hij uit al komen. Geen kopper die blind duels ingaat. Geen zager die gaat over lijken. Geen domme schreeuwer of lompe boer. De strateeg wordt niet moe. Loopt zich niet kapot. Schopt niet blind iemand omver en wordt niet vies. De Strateeg kijkt slechts. Hij staat, doet stapjes naar links en rechts en denkt na. Sturend als een kapitein. Met het middenveld als zijn kajuit.  

 

Maar hoe mooi het allemaal ook klinkt: in onze Kelder hebben we geen zak aan de Strateeg. Want naast dat hij vaak nét iets te goed en dik is, nét iets te veel narcisme bezit en nét iets te veel praat en wijst naar de zin van zijn teamgenoten, werkt de Strateeg normaliter met een strategie. Met een te volgen lijn gebaseerd op visie en missie, rekening houdend met de verre toekomst (Het Groene Boekje, Van Dale, 2015) Maar in onze klasse zijn geen strategieën, geen looplijnen, geen aanspeelpunten. Niet op het voetbalveld tenminste.

 

Onze missie bevindt zich niet op het gras, maar wordt uitgevochten daarbuiten. Kelderiaanse missies bestaan uit genoeg man en een vlagger regelen voor de wedstrijd, evenals genoeg auto’s voor de uitwedstrijd, de waardevollespullentas niet kwijtraken en bier drinken. Onze visie bestaat uit 2 delen: heel blijven en met zijn allen bij elkaar blijven als voetbalteam. En omdat rekening houden met de verre toekomst onmogelijk is, doordat een deel van onze visie week na week verder afbrokkelt, namelijk heel blijven, staat ook het andere deel, bij elkaar blijven, ieder seizoen weer op losse schroeven.

 

Maar goed.  Als we dan een keer met genoeg man op het veld staan en hij de ruimte krijgt om op te treden, al tapdansend met een veel te soepele wendbaarheid voor zijn gewicht op het middenveld verdedigingen opensplijt en de OOOHHH’s en AAAAHHH’s over het sportpark laat galmen, geniet ik. Van ieder stap. Iedere kap. Iedere pass. Van de Messi, de Frenkie, de Xavi van de Kelderklasse. Van de artiest van het amateurvoetbal.

 

De Strateeg is mijn favoriete voetballer. Een kapitein, varend met zijn schip, in een Kelderiaanse zee vol zaadvoetballers.

 

Ode aan de Jankert

Ik hou wel van een beetje theater op z’n tijd. Van een potje goed klagen of schelden. Een keertje goed zuchten, steunen en kreunen. Als ik me al een beetje slecht voel, ga ik er heerlijk op om thuis te doen alsof ik me écht slecht voel. De Baas vindt ’t verschrikkelijk, maar ik vind dat geweldig man.

 

Als ik bijvoorbeeld een klein beetje verkouden ben, vind ik niets fijner dan hard zuchten en m’n neus ophalen na een hoestbuitje, om vervolgens te zeggen: “Poe poe, wat ben ik verkouden zeg. Sjonge jonge. Pfff, het heerst volgens mij. Door ’t weer enzo. Man. Echt.” Als ik moe ben, doe ik alsof ik echt heel erg moe ben. Strompel ik door het huis. Vind ik alles te zwaar. Om maar niet te beginnen over m’n werk. Want m’n werk. Poe Poe, druk enzo. Een potje klagen is gewoon heerlijk. Ik denk dat de Kelderklasse daarom zo goed bij me past. Hier, in de wereld van blauwe plekken en broze botten, is aanstellen een klasse apart.  

 

Tóch is ook hier het échte aanstellen, janken en zaniken voor alleen de allergrootste Jankerts weggelegd. Voor de Jankballen van onze amateurvelden. De Aanstellers van de B-categorie. Als iemand míj tackelt, tackelt –ie me écht en val ik. Hard of klunzig, maar gemeend zonder theater. Als iemand míj een beuk geeft en het doet zeer, doet het ook écht zeer. Dan zeg ik dat het zeer doet of ik schreeuw een beetje. En als er een klodder mayo op míjn shirt valt na een hap van een broodje belegd met een overvloed aan die saus, waar toevallig ook ergens een frikandel in verstopt zit en ik vind dat kut, zeg ik gewoon dat ik dat ook echt kut vind. Niet extreem hard, maar op normaal volume tegen diegenen die ’t zien gebeuren. Ik zou ’t wel willen faken op een voetbalveld, maar heb simpelweg niet dat janktalent.

 

Er zijn voetballers die dat janktalent wél bezitten. Jankerts die na een tackle doorrollen tot aan de kantine. Die na een schouderduw niet alleen de zijlijn overvliegen, maar de naastgelegen sloot of snelweg ook meepakken en schreeuwen alsof ze een ravijn instorten. Die als er mayo op hun shirt valt, de microfoon afpakken van de DJ om vervolgens de baliemedewerker, kantinebeheerder én de mayo schreeuwend en scheldend ervan langs geven. Om vervolgens z'n shirt uit te te trekken en De Toreador door de microfoon te zingen. Het zijn de voetballers die ooit naast het voetbal successen vierden bij een amateurtoneelgezelschap, maar het nu moeten hebben van 90 minuten toneel, met hun teamgenoten, hun tegenstander, een scheidsrechter, 2 grensrechters, 2 wissels en een duif als hun publiek, met een sportpark als hun theater, Veld 6 als hun toneel en in een ensemble waarin zij ieder weekend ongevraagd de hoofdrol spelen. 

 

Een échte Jankert grijpt ieder moment aan om te zaniken, te zeiken en te zeuren. Hij is niet alleen de acteur; hij is de regisseur. Hij laat zich te pas en te onpas vallen als de bal in de buurt is of iets niet lukt en deelt zélf de hardste trappen uit. Hij schreeuwt ‘t uit als iemand tijdrekt, maar kan zélf rustig 10 minuten rollen over een veld als –ie een duwtje krijgt. Een Jankert laat geen moment voorbijgaan om er níet op te reageren. Op een slechte uittrap van zijn eigen keeper tot een verkeerde keuze van de scheids. Hij reageert, foetert, klaagt en zucht. Over alles. 90 minuten lang. En dan, als je hem écht niet meer trekt, gaat híj nog effe door. Dan duwt –ie je. Maakt –ie een sneer. Of wacht –ie 5 minuten met zijn ingooi.

 

De Jankert irriteert als een afgescheurde nagel. Een te kleine schoen. Een zweetdruppel in je oog. Omdat hij de tijd afsnoept van het spel dat ons zo dierbaar is, maar ook omdat –ie doet waar hij goed in is: afleiding. Heb je op zaterdag- of zondagmorgen al het concentratievermogen van een schoenlepel? De Jankert neemt ook dat laatste beetje weg. Hij strooit zand in je ogen en maakt je gek. Om plots, als je het zand eindelijk uit je ogen hebt gewreven, met 3-0 voor te staan.

 

Daarom een chapeau. Aan de huilebalk en jammeraar. De zeurpiet en zuurpruim. De komediant, dwaas en kwast. De praatjesmaker en druktemaker. Omdat zonder hen, deze B-acteurs van de B-categorie, deze Klagers van de Kelderklasse, voetbal maar een saai spel was zonder emotie. Laat je daarom dit weekend gewoon weer als vanouds gek maken. Erger je kapot, noem die Jankert voor mijn part Getafiaans, of zeg ‘m dat –ie eens normaal moet doen en zich niet zo aan moet stellen. Maar sta na die pot eens stil bij zijn performance. Zijn act. Zijn onemanshow.

 

Applaudiseer, geef ‘m bloemen, schreeuw “Bis! Bis! Bis!” en feliciteer hem met zijn prestatie en met de punten.

Dat zal –ie leuk vinden. De Jankert.

 

Ode aan kantinevlees

“Zullen we een documentaire kijken?”

 

Het was woensdag. Op die dag zitten De Baas en ik in de avond vaak samen op de bank met een afstandsbediening tussen ons in. Dat is romantisch. Ik had gehoopt dat ze zou zeggen: “Zullen we How to be a man terugkijken? Dat is een documentaire waarin de Engelse semi-amateurclub Woking FC wordt gevolgd.” En dat we dan samen, nippend aan een blik Schultenbräu, beelden vol oude doelen, hard werk en lelijk voetbal zouden kijken. Het mocht niet zo zijn; De Baas had al wijn gehaald. Dus die avond keken we samen naar Game Changers, een documentaire over de opmars van de veganist, met als conclusie: vlees is slecht, plantaardig voedsel is goed en Arnold Schwarzenegger is nog steeds breed.

 

Het moet gezegd: de docu keek lekker ouderwets Amerikaans weg. Er waren overtuigde topsporters aan het woord, de gruwelijke uitbuiting van dieren werd helder in beeld gebracht en veganistische eters-penissen bleken volgens een klein onderzoekje harder in opgewonden stand dan vleeseters-penissen. Echt? Ja, echt. Ontspan: het was niet wetenschappelijk bewezen.   

 

Maar goed, een beetje bewustzijn creëren was nooit verkeerd. Tot dusverre een vermakelijke docu en avond. Tot De Baas voorstelde om dit ook eens te proberen: vleesloos eten. Vorige week had ze de docu Mijn seks is stuk gekeken, waardoor m’n half stijve vleespenis na die docu iedere avond in de vorm van een wokkel werd gedraaid, dus je kunt ’n beetje inschatten hoe ’t gaat bij mij thuis: zij bepaalt en kookt, en ik ga akkoord en eet.

 

Ik stemde toe. 

 

We zijn nu twee weken verder en ik ben 2 keer de fout in gegaan. 2 keer in de kantine. Die heerlijke kantine. Die aangenaam warme, lelijk ingerichte, ouderwetse kantine. Daar waar ik thuiskom na een fijne pot voetbal. Waar oude bekers en bruingekleurde opgekrulde vaantjes verstoffen achter vettige glasplaten en de vrijwillige liefde zich huisvest achter kantinebar en -balie. Daar waar jong en oud samenkomen voor bier en eten. Voor uitrusten en bijpraten. Voor dronken worden en schreeuwen.

 

Als ik haar zie, die o zo mooie kantine, denk ik aan vlees. Aan vlees met bier en saus. Aan het hangen over de kantinebalie met een koude pils in de hand, wachtend op mijn bestelling, ondertussen kijkend naar de baliemedewerkster die alvast liefdevol m’n broodje bedekt met een dikke laag vette mayo terwijl de snack langzaam boven komt drijven in een frietpan die je al ruikt als je nog op het veld staat.

 

Maar sinds die docu voel ik ook de angst. De angst voor dit soort aan populariteit winnende pro-veganistische documentaires. Voor voetballende veganisten die de voetballer hun ideologische propaganda zullen opdringen. Voor propaganda die langzaam de kantine binnendringt en haar naar de gallemiezen zal kunnen helpen. Propaganda die de geur van vettig vlees voor eeuwig zal kunnen doen verdwijnen.

 

Hoe moet dat straks als de wereld doorslaat? Als alles verandert, bang als de wereld is, en we zelfs geen vlees meer zullen kunnen eten in de kantine? Als we ons op gekleurde schoenen in het zweet hebben gewerkt op kunstgras en vervolgens bij de kantinebalie enkel nog planten op een broodje kunnen bestellen zonder mayo? Als we straks geschilde aardappelen lopen te kanen zonder saus, en een met vleesvervangers gevulde sojastaaf in onze handen zullen krijgen geduwd? En als er lauwe soja langs onze mond zal lopen als we in een nepbitterbal hebben gehapt in plaats van heerlijke slierten veel te heet vlees? Het kan niet. Het mag niet.

 

Allemaal niks ten nadele van gezond eten he. Gezond eten is prima. Houden we 't misschien iets langer vol op een voetbalveld. Schiet de kramp er eens een keer pas in de tweede helft in. Maar niet in ónze kantine. Ik zal het volhouden en thuis braaf m’n vleesvervangers eten. Ik zal zeggen dat ik vegetarisch eet en vlees afvallen. Maar ieder weekend zal ik verlangen naar een derde helft met bier, grappen en vlees , trouw m’n snack met saus bestellen, me volvreten en flink aankomen.

 

Man. Ik verlang nu alweer naar een snack. Een snack met vet vlees en saus.

Klote-inhaalweekenden.

 

Ode aan de ingooi

“Nee Steef! Laten liggen, die bal!”

 

Normaliter had Stefan die bal natuurlijk gewoon op mogen pakken. Stefan is namelijk onze back. Het is toch vrij normaal in ons aanvallende Nederlandse voetbal dat de middenvelders en aanvallers de ballen laten liggen voor de backs, die deze dan mogen ingooien. Ook om zo weer wat tijd te winnen. Heerlijk is dat, als de back de bal rustig komt halen, hem oppakt en nog effe droog poetst onder zijn shirt, een aanloop neemt, de beweging maakt om in te gooien, maar dan toch effe wacht op de lijn met de bal al in zijn nek, vragend rondkijkt, en de bal vervolgens langs de zijlijn gooit, waarna de bal weer wordt uitgerost, zodat hij de bal weer rustig kan gaan halen, tot grote ergernis van die tegenstander.

 

Normaliter had dit dus gewoon gemogen inderdaad. Maar bij ons niet. Want Stefan kan niet ingooien.

 

Eigenlijk is dit pas een probleem als de bal heel vaak uitgaat. Eerst hadden we – toen Stefan er nog niet was – op zijn plek een speler staan die uitstekend kon ingooien. Ver, strak, foutloos en stijlvol. Maar die vent is nu onze aanvaller. Dat wilde hijzelf. Omdat –ie graag rent ofzo. Dus nu helpen we hem door ballen blind naar voren te rossen in de hoop dat hij er dan met zijn drie longen nog achteraan gaat. Maar omdat die rosballen dus altijd over de zijlijn belanden, is het een probleem.

 

Dus Stefan mag niet meer ingooien. We hebben ‘m genoeg kansen geboden. Het een paar wedstrijden aangekeken. Keer op keer gewacht, verwachtend dat hij stappen zou maken. Maar hoe hard hij ook zijn best deed: het lukte hem niet. Ook híj probeerde echt alles. Luisterde naar onze tips, probeerde verschillende stijlen uit, keek Youtube-filmpjes. Maar als -ie dan weer zo’n filmpje had gezien waarin iemand een enorm lange aanloop nam, deed Stefan ook zo’n lange aanloop, waardoor –ie halverwege met de bal in z’n handen op z’n plaat ging, om daarna weer op te krabbelen, door te rennen en hands te maken omdat hij in het remmen voorover het veld in viel. Of hij deed de ingooi te nonchalant. Kwamen z’n twee benen los van de grond of gooide hij de bal tegen z’n eigen achterhoofd aan.

 

Een aantal keer gleed de bal uit z’n handen, één keer deed –ie uit zichzelf een slingerworp, wat dus niet mocht van de scheids, twee keer gooide hij de bal vol op de neus van onze spits en vaker deed hij alles goed, maar liet hij de bal pas los als zijn handen ter hoogte van zijn middel waren, waardoor hij de bal in z’n eigen voeten plaatste. Soms ging ’t wél goed, of keek de scheids niet goed, wat dan weer leidde tot een levensgevaarlijke kans voor de tegenstander, omdat niemand dit had zien aankomen en dus stilstond.

 

Stefan zal, ben ik bang, nooit in kunnen gooien. Echt: we hebben ‘m vertrouwen gegeven, ‘m gecoacht met loze woorden als “Kom op Steef! Het kan nog! Hup! Zet ‘m op!” maar het mocht niet baten. De enkele keer dat hij in ons team nu nog een balletje op mag gooien is op zaterdagavond als –ie vraagt of er iemand mee de kroeg in gaat.

 

We nemen het Stefan niet kwalijk. Het lijkt namelijk allemaal zo vanzelfsprekend, een goede ingooi, maar zo’n ingooi vergt techniek. Niet alleen die nonchalante ingooi op een teamgenoot die zich 10 seconden geleden al kwam aanbieden, waarna jij even wacht tot je de bal op zijn borst kan leggen omdat hij nu een meter van je afstaat, maar dan tóch niet naar hém gooit en hij kwaad wordt, maar ook die strakke en verre ingooi met die voetjes die precies op het juiste moment op de kalklijn bijsluiten, wat eruitziet als een gestroomlijnde turnoefening met een perfecte landing. Een goede ingooi eist perfectie. En perfectie vergt tijd in onze klasse. Dan mag ’t allemaal wat langer duren.

 

Er is een kans dat ’t té lang gaat duren voor Stefan. Want naast echt gras, douchen in de blote tampeloeres en kontjeglijden wordt de ingooi met uitsterven bedreigd. Bij onder-9 hoeft er al niet meer te worden ingegooid. Daar mogen ze gewoon indribbelen of trappen, ten behoeve van de snelheid van het spel en om spelbederf tegen te gaan. Maar wat de KNVB dan voor ‘t gemak vergeet, is dat voor de gemiddelde Kelderklassers dat zogenaamde ‘spelbederf’ zijn redding is. Die welkome rust. Die zuurstoffles als -ie niet meer kan. Effe die bal wegjanken en bijkomen. Heerlijk die handen op de knietjes, gras uit de mond vissen, sokjes optrekken, effe bijpraten of een slechte grap maken of een braakje leggen dat dwarszit tot de bal weer wordt ingegooid; wat als dat niet meer mag?

 

Ik maak me zorgen. De ingooi mag nooit verdwijnen. Denk alleen al aan die hoeveelheid ingeleverde ballen bij de tegenstander. Dat is toch genieten? Een minuut doen om een bal in te gooien en vervolgens die bal op het hoofd van een tegenstander gooien; mooier wordt het echt niet. De ingooi speelt een hoofdrol is ons Kelderiaans theater van de lach. Alleen al daarom wil ik de ingooi blijven zien. De verre ingooi. De nonchalante ingooi. De ingooi met handstandoverslag. Maar ook die foute. Liefst zoveel mogelijk.

 

Vooruit, Steef: probeer 't vandaag nog 1 keer; voor je ’t weet, mag het niet meer.

 

Ode aan tape

Er was ooit een tijd dat we Tape nog niet kenden. Dat we dartelden over het veld alsof niks of niemand ons kon breken. Dat tape nog niet bestond, omdat Tape nog niet nodig was. Inmiddels zijn onze enkels zo slap als een natte tosti, is onze draaicirkel zo groot als die van een propvolle oude beslagen harmonicabus en zitten we in het weekend op het sportpark nog erger onder de plak dan thuis.

 

Lang ben ik jaloers geweest op de tapeloze voetballer die nog steeds durft uit te gaan van zijn eigen krachten. De held van de senioren die blijkbaar nog niet heeft toegegeven aan die constante angst om op het veld iets in of af te scheuren. Maar inmiddels weet ik dat het ook voor hem slechts wachten is op de dag dat zijn banden het zullen begeven en hij zal smeken om een rolletje Tape. Hij is welkom bij ons. Want hier, in de aan elkaar getapete wereld van de Kelderklasse, lopen we allemaal op rolletjes.

 

De Kelderklasse is een wereld waarin enkelbanden zó vaak zijn afgezaagd, dubbelgeklapt, platgetrapt, verrekt, omgevouwen, ingescheurd en afgescheurd dat we ons voetbalbroekje ermee omhoog zouden kunnen houden. Onze enkels zijn zo onbetrouwbaar en labiel als de gemiddelde clubscheidsrechter. Bij het minste of geringste zakken we erdoorheen, wetende dat onze enkelbotjes voor altijd zullen drijven in een eeuwige vijver van vocht.

 

Ooit verafschuwde ik Tape. Wilde ik na een periode met tape zo snel mogelijk van ‘m verlost worden om op m’n eigen krachten aan te sterken en verder te gaan. Maar de banden wilden niet meer. De enige goede band die ik op den duur nog had, was die met Tape.

Sindsdien houdt Tape me op de been. Tapen is een religie geworden en Tape onze lijfwacht, steun en toeverlaat. Onze pleister op de wonde als we perse willen spelen. Tape is onze houvast. De overtuiging dat wij Kelderianen oneindig door kunnen voetballen, zolang Hij onze ledematen maar beschermt. Hij, de almachtige plakkende Tape, onze beschermheilige op drassige velden, waar het gevaar op iedere vierkante meter op de loer ligt.

 

Wij Kelderianen zijn van Tape gaan houden als van lauwe thee in de rust. Voor ons is Tape allang niet meer zomaar Tape. Tape is zoveel meer. Ja, Tape zet onze enkels vast en geeft ons hoop. Maar Tape houdt óók onze scheenbeschermers op hun plek en laat onze sokken niet afzakken. Tape bedekt onze sieraden en creëert aanvoerdersbanden en rugnummers. En Tape maakt van onze voetbalschoenen ware kunstwerken als ze eigenlijk allang zouden moeten worden weggepleurd. Met ingetapete voeten, polsen, handen en schoenen kunnen we de wereld aan. Met het rolletje Tape in de hoofdrol voelen we ons oppermachtig. Want Tape staat ons bij.

 

En ja, natuurlijk zullen er momenten zijn dat je Tape zult haten. Als je een half uur lang je eigen poten weer onhandig in zit te wikkelen bij gebrek aan iemand met Tapekennis bijvoorbeeld. Of als het rolletje weer eens onder een dikke laag kunstgraskorrels en zand zit en je ’t begin van ‘t rolletje al een kwartier aan ’t lospulken bent, terwijl je teamgenoten al op het veld staan. Of als je ‘m na de pot zo snel mogelijk van je enkels af wilt hebben waardoor de tape zich ophoopt en je – met inmiddels 4 man sterk – aan een zeemansknoop aan ’t rukken bent, waarna het uiteindelijk, wanneer de meeste teamgenoten al in de kantine zitten met een koude pils, lukt om de tape te scheuren, maar je verdomme ook nog je beenharen er met wortel en al uittrekt.

 

Dat is oké; je mag Tape soms haten. Maar heb ‘m daarna snel weer lief. Want wij Kelderklassers kunnen niet zonder Tape; we zitten eraan vast. Voor altijd.

 

Dus pak die rol, pak jezelf in en vergeet dit nooit: zonder Tape was jij allang uit elkaar gevallen. Ook jíj zit onder de plak.